Aanleiding

In het afgelopen decennium heeft er een herwaardering plaatsgevonden van de bèta- en technieksector als basis van de maakindustrie en de digitalisering van de samenleving, en als hart van de maatschappelijke uitdagingen op thema’s als voedsel, gezondheid, veiligheid, klimaat en energie.

Met deze herwaardering is de belangstelling voor bèta en techniekstudies sterk toegenomen, zonder een navenante stijging van de rijksbijdrage aan de universiteiten. Hierdoor is de ontwikkeling van de wetenschappelijke staf hierbij sterk achtergebleven (figuur 1).

De groei van het aantal ingeschreven studenten en vaste wetenschappelijke staf vanaf 2007 voor bèta en techniek
Figuur 1 – De groei van het aantal ingeschreven studenten en vaste wetenschappelijke staf vanaf 2007 voor bèta en techniek. Bron: VSNU (WOPI en DUO-gegevens)

In combinatie met de groei van de studentaantallen zijn de universiteiten in de achterliggende periode met diverse bezuinigingen geconfronteerd. Hiermee zijn onderwijs en onderzoek steeds meer van elkaar gescheiden geraakt en is innovatie in (en de kwaliteit van) onderwijs en onderzoek onder druk komen te staan.

Dientengevolge  is in Nederland de inzet op het universitair onderzoek in bèta en techniek achtergebleven, terwijl zowel gevestigde als opkomende economieën in dezelfde periode sterk hebben ingezet op R&D-inspanningen in deze sector. Dit heeft zich gemanifesteerd in een sterke neergang en ondervertegenwoordiging van de bèta- en technieksector in de Nederlandse onderzoeksportfolio bezien vanuit internationaal perspectief (figuur 2).

Figuur 2a
Figuur 2b
Figuur 2 – De relatieve omvang van de Nederlandse bèta en techniek (gemeten met de onderzoekspecialisatie index OSI) is de afgelopen jaren sterk teruggelopen tot 60 à 70% van het mondiaal gemiddelde. De citatie-impact van de gebieden is echter nog steeds hoog. De gepresenteerde getallen zijn gebaseerd op de HOOP-gebieden Natuur en Techniek. Bron: CWTS/Rathenau.